Hoofdstuk 17

==

Lou beloofde Phil dat ze de volgende ochtend de boekhouding van de zaak zou bijwerken, maar in plaats daarvan liep ze in een oude joggingbroek en een T-shirt de trap af naar de kelder, gewapend met een rol zwarte vuilniszakken. Ze was van plan om ’s ochtends de hele kelder op te ruimen, zodat ze ’s middags de boekhouding kon doen – dat was althans haar voornemen. Er kwam echter iets tussen, in de vorm van vijf overtollige sierkussens, vier pakken tapijttegels, drie mandflessen en twee tafeltjes van spaanplaat – waren die maar van mahonie of rozenhout geweest. Lou kon haar opruimsessie onmogelijk onderbreken om achter een bureau te gaan zitten en Phils financiën op orde te brengen.

Zijn boekhouding was een nachtmerrie. Phil gebruikte zoveel trucs om belasting te ontduiken dat de meeste boekhouders er blind of gek of allebei van zouden zijn geworden, en zij zouden er tenminste nog voor betaald hebben gekregen, terwijl Lou het allemaal voor de kat z’n viool deed. Af en toe beloofde hij haar een ‘leuke verrassing’ als beloning, maar op de een of andere manier kwam dat er nooit van. Tenzij je de keukenhulpjes waarmee hij haar af en toe ‘verraste’ meetelde.

Onder het huis waren drie grote kelders. Een ervan stond leeg; Phil was al zes jaar van plan om er een fitnessruimte van te maken. Tot nu toe had hij alleen een kleine trampoline gekocht, die nog steeds in de oorspronkelijke verpakking in een hoek stond, en aan een van de balken hing een ongebruikte boksbal. In de middelste kelder stond het archief van de zaak, plus een kunstboom met de bijbehorende kerstversiering. Lou vond een paar kapotte kerstballen en schurftig engelenhaar, maar tot haar ergernis niets waarmee ze haar opruimwoede kon bevredigen.

De meeste rommel lag in de eerste kelder, met stellingkasten vol ‘nuttige’ voorwerpen die ooit nog eens van pas zouden komen. Er waren ontelbare zakjes met schroeven en spijkers, fittingen, lichtschakelaars, verfkwasten met een kale plek zoals op Phils kruin, een verzameling zaklantaarns waar nieuwe batterijen en lampjes in moesten, roestige hamers, tuinslangen die al langer dan Lou het zich kon herinneren op reparatie wachtten (en trouwens allang waren vervangen), en stapels stekkers die Phil ‘voor het geval dat’ van allerlei elektrische apparaten had geknipt. Er stond een grote doos met zijn oude video’s, bedekt door een laag stof en schimmel: cowboyfilms, actiefilms van het B-genre, een paar films met Chuck Norris, en helemaal onderop, verpakt in bruin papier, een paar softpornofilms met pakkende titels als Titty Titty Gang Bang. Ze stopte de hele handel in een vuilniszak en gooide die in de afvalbak, waarna ze pauze nam om een boterham te eten. Nu ze eenmaal bezig was, kon ze niet meer stoppen.

Op een van de planken lag een stapel boeken die Phil ooit bij een opheffingsuitverkoop had gekocht. Ze had hem nooit iets anders dan kranten en autotijdschriften zien lezen, dus ze wist dat hij de boeken niet zou missen. Lou las graag, maar deze titels spraken haar niet aan. Toch vond ze het zonde om gloednieuwe boeken weg te gooien, dus verdwenen ze in de vuilniszak die naar een goed doel zou gaan, samen met een setje om zelf kaarsen te maken en een paar witte bloempotten voor in de tuin die Lou in een opwelling had gekocht maar nooit echt mooi had gevonden.

Ze gebruikte een stoffer en blik om stof en spinnenwebben op te vegen, en ontweek de spinnen. Phil zou zijn gaan gillen, zo groot waren ze, maar Lou maakte nooit spinnen dood. Ze voelde ook weer niet de behoefte om met ze te gaan knuffelen. Opeens moest ze aan haar vader denken, die haar had uitgelegd dat spinnen belangrijk werk deden door grote vieze gonzende vliegen in hun web te vangen, vliegen die eerst op een smerige hondendrol hadden gezeten en dan kwamen tapdansen op haar eten. Haar vader had haar altijd aan het lachen gemaakt met zijn verhaaltjes. Ze had gehoopt die verhaaltjes ooit aan haar eigen kinderen te kunnen vertellen. Ho! Die gedachte stopte ze weg voordat ze verdrietig kon worden.

Onder de kast ontdekte ze tot haar blijdschap het antieke droogrek dat ze vorige zomer had gekocht en straal was vergeten. Ze had het hout geschuurd en in de was gezet, maar het was haar niet gelukt om een katrol te vinden waarmee ze het rek aan een plafondbalk kon bevestigen, dus had ze het voorlopig opgeborgen in de kelder. Ze herinnerde zich nog goed dat ze van het kastje naar de muur was gestuurd.

In het artikel had ze gelezen dat ze een kapot voorwerp dat de moeite van een reparatie waard was gerust kon houden, maar dan moest ze het ijzer smeden als het heet was: ‘Gebruik het of gooi het weg.’ In gedachten nam Lou zich voor om op katrollenjacht te gaan zodra ze tijd had.

Naast het droogrek stond een schoenendoos vol met foto’s, en aangezien ze bijna klaar was en behoefte had aan een pauze, nam ze de doos mee naar boven. Ze zette water op en haalde het deksel van de doos. Ze wist niet meer waarom ze de foto’s had bewaard, want de foto’s die haar echt dierbaar waren zaten in haar ‘schatkist’ en die stond boven in de slaapkamer. Lou vond foto’s niet zo belangrijk; beelden van bijzondere dagen stonden in haar geheugen gegrift, en die betekenden meer voor haar dan matige kiekjes, die er zelden in slaagden om de essentie van het moment over te brengen.

Met een beker gloeiend hete Nescafé ging ze in de serre op de grond zitten. Ze kiepte de doos om op het kleed. De meeste foto’s waren onscherp of van een veel te grote afstand genomen, of toonden saaie landschappen die ze nu niet eens meer kon plaatsen. Ertussen vond ze ook een familiekiekje van haar trouwdag. Haar moeder was in het donkerblauw, met een in beton gegoten kapsel dat een lid van het koninklijk huis niet zou misstaan. Phils moeder droeg dezelfde kleur blauw, dat hadden ze zeker afgesproken. Lou had Sheila Winter nooit echt goed leren kennen – ze wist eigenlijk alleen dat ze haar beide kinderen zo verschrikkelijk had verwend dat die zich boven alles en iedereen verheven voelden en altijd in alles hun zin wilden hebben. Een paar driftbuien die niet het gewenste resultaat hadden gehad, zouden Phil en Celia goed hebben gedaan, dacht Lou weleens. Sheila woonde in Devon, maar was drie maanden na hun bruiloft overleden.

De begrafenis was een merkwaardige aangelegenheid geweest, verbazingwekkend emotieloos. Sheila’s zusters, en zelfs haar tweelingbroer, hadden meer belangstelling getoond voor de broodjes met koffie na afloop dan voor de dienst zelf. Omdat het zo zelden voorkwam dat de hele familie bij elkaar was, hadden ze zelfs, vreemd genoeg, een fotograaf ingehuurd om familieportretten te maken. (‘En dan nu een van het lijk met de naaste familie.’ ‘En dan nog een van het lijk dat de rouwkrans omarmt.’ Dat waren destijds Lous morbide gedachten geweest.)

Phil was erg stil geweest, maar de volgende dag wel meteen weer aan het werk gegaan. ‘Het leven gaat door,’ had hij gezegd voordat hij de deur uitging. Celia had met haar melodramatische tranen alle aandacht naar zich toe getrokken en een enorme show gemaakt van haar verdriet. Toch ging ze de volgende dag winkelen ‘om er niet de hele tijd aan te hoeven denken’. Het was allemaal zo anders geweest toen haar eigen vader overleed. Lou had maandenlang gehuild, en toen ze de draad van haar leven weer oppikte, had ze het gevoel dat ze op een snelweg op een skateboard tussen vrachtwagens door laveerde.

Aan de druk op haar ogen voelde Lou dat er tranen dreigden. Ze pakte resoluut de trouwfoto weer op. Daar stond ze, tussen Des en Celia in, huiverend bij de gedachte aan zijn aanraking. Celia droeg overduidelijk designkleding, en een hoed die een kruising was tussen Royal Ascot en een lampenkap. Des zag eruit als een kruising tussen het jongere broertje van Bryan Ferry en Nosferatu. Phil was slank en knap met zijn dikke blonde haar. Hij had er altijd jonger uitgezien dan zijn leeftijd, vooral door de zelfverzekerde uitstraling die ze vroeger zo aantrekkelijk had gevonden. In tegenstelling tot alle anderen op de foto glimlachte hij niet; hij keek eerder verbaasd. Victorianna stond naast hem, een jongere, frissere en sensuelere versie van Renee, en het secreet droeg een witte jurk. Er was destijds opschudding over ontstaan, omdat de organist ‘Daar komt de bruid’ had ingezet toen zij naar haar plaats liep. Victorianna’s arm verdween achter Phils rug op een manier die er geen twijfel over liet bestaan dat ze hem net in zijn bil had geknepen. En dát, wist Lou nog, was de reden dat de foto naar een doos in de kelder was verbannen.

Lou vormde het glimlachende middelpunt, een beeldige bruid in een lange ivoorkleurige jurk waarin haar figuur zo voordelig mogelijk uitkwam. Ze had altijd een vol figuur gehad – in die tijd had Phil zich daar niet over beklaagd. Als ze het zich goed herinnerde, had hij haar volle borsten en ronde heupen juist prachtig gevonden. En daar had je Deb, haar enige bruidsmeisje, in een rode jurk, slank en blond en beeldschoon. Ze leek meer op Victorianna dan Lou. Die gelijkenis was goed van pas gekomen tijdens operatie Red de Ringen.

Er waren ook een paar vakantiekiekjes: een stipje op zee waarvan ze zich herinnerde dat het een dolfijn was geweest die ze tijdens hun huwelijksreis in Benidorm had gespot; Phils weerzinwekkende oom die zeven jaar geleden bij hen had gelogeerd en twee weken was gebleven (Lou had het gevoel gehad dat hij nooit meer weg zou gaan); de façade van Hotel Artemis op Korfoe. Het was in alle jaren dat ze samen waren de enige keer dat ze ergens anders waren geweest dan in Benidorm. Lou had naar Rome willen gaan om hun zesde trouwdag te vieren, maar Phil had haar ‘verrast’ met een vakantie in Griekenland. Na een feestelijk diner was hij opeens verdwenen. Later had ze hem tussen de olijfbomen vandaan zien komen met een vrouw uit Wakefield die Wanda heette en in hetzelfde hotel logeerde. Wanda was een ordinaire del van in de vijftig, met geblondeerd haar dat pijn deed aan je ogen. Ze droeg een kunstgebit. Hij zei dat hij haar had helpen zoeken naar haar man Alf, die de volgende ochtend met een fles ouzo in zijn armen snurkend werd teruggevonden in een vissersbootje. Uiteraard had Lou hem op zijn woord geloofd, hoewel ze zich later, toen Phil haar in de steek had gelaten voor Susan Peach, had afgevraagd of hij onder die olijfbomen zijn lusten op Wulpse Wanda had botgevierd.

Tussen de stapel vond ze ook een schoolfoto van toen ze zestien was. Ze kon zich niet alle namen van haar klasgenoten herinneren, maar twee gezichten vielen op tussen de rest. Het elfenkopje van Gaynor Froggatt, die zes jaar later aan een overdosis heroïne zou overlijden, en Shirley Hamster, die zo jaloers was geweest op Lous lange haar dat ze er een keer tijdens Latijn de schaar in had gezet. Ze was zich doodgeschrokken toen Lou zich had omgedraaid en haar een vuistslag had gegeven waarvan ze met stoel en al achterover was gevallen. Het was het allemaal waard geweest: Renees afschuw van haar gewelddadige dochter, de preek over damesachtig gedrag van de directrice en een week nablijven om de gedichten van Catullus te vertalen. Vooral omdat het haar een enorme voldoening had geschonken, dat wist ze nog als de dag van gisteren. Haar vader had zijn duim naar haar opgestoken, maar pas toen haar moeder de kamer uit was.

Elouise Angeline Casserly. In die tijd had ze haar hoofd altijd hoog gehouden, kin in de lucht; een meisje dat nergens bang voor was en het tegen de hele wereld durfde op te nemen. Ze was half godin, half pitbullterriër. Ze dook altijd zonder nadenken in het diepe, of van het podium tijdens discofeesten op school, wetend dat de rugbyjongens haar zouden opvangen. Op het hockeyveld was ze gevreesd en geliefd, met tennis sloeg ze de ene ace na de andere, en ze danste altijd nog steeds als zelfs de diehards van uitputting in elkaar waren gezakt. Ze was niet kapot te krijgen, energiek en populair.

Hoe kwam het dat ze was veranderd in een klein vrouwtje dat beha’s droeg die haar borsten kleiner moesten doen lijken en doodsbang was dat één verkeerd woord of een centimetertje erbij rond haar taille het eind van haar huwelijk zou betekenen? Waar was ze in godsnaam gebleven, de Lou Casserly met haar gepassioneerde en doortastende karakter, haar malle ideeën en krankzinnige ingevingen – de vrouw die een fortuin zou gaan verdienen met het beste koffiehuis van de wereld, samen met de beste vriendin die iemand zich kon wensen?

Voordat ze zich kon bedenken ging Lou staan. De foto’s gleden van haar schoot op de vloer en ze stak haar hand uit naar de telefoon.

Ze wist het nummer nog uit haar hoofd. Maar welke garantie had ze eigenlijk dat het nummer niet was veranderd? En was het niet stom om op een werkdag te bellen? Toch toetste ze het nummer in, en nadat de telefoon vijf keer was overgegaan, hoorde ze aan de andere kant van de lijn een dierbare, bekende stem.

‘Hallo?’

‘Met mij, Lou... Casserly... Winter,’ zei Lou met een krakende stem. ‘Deb, denk je dat het kan? Kunnen we elkaar zien?’

Lentekriebels
978 90 499 5217 4.xhtml
978 90 499 5217 4-1.xhtml
978 90 499 5217 4-2.xhtml
978 90 499 5217 4-3.xhtml
978 90 499 5217 4-4.xhtml
978 90 499 5217 4-5.xhtml
978 90 499 5217 4-6.xhtml
978 90 499 5217 4-7.xhtml
978 90 499 5217 4-8.xhtml
978 90 499 5217 4-9.xhtml
978 90 499 5217 4-10.xhtml
978 90 499 5217 4-11.xhtml
978 90 499 5217 4-12.xhtml
978 90 499 5217 4-13.xhtml
978 90 499 5217 4-14.xhtml
978 90 499 5217 4-15.xhtml
978 90 499 5217 4-16.xhtml
978 90 499 5217 4-17.xhtml
978 90 499 5217 4-18.xhtml
978 90 499 5217 4-19.xhtml
978 90 499 5217 4-20.xhtml
978 90 499 5217 4-21.xhtml
978 90 499 5217 4-22.xhtml
978 90 499 5217 4-23.xhtml
978 90 499 5217 4-24.xhtml
978 90 499 5217 4-25.xhtml
978 90 499 5217 4-26.xhtml
978 90 499 5217 4-27.xhtml
978 90 499 5217 4-28.xhtml
978 90 499 5217 4-29.xhtml
978 90 499 5217 4-30.xhtml
978 90 499 5217 4-31.xhtml
978 90 499 5217 4-32.xhtml
978 90 499 5217 4-33.xhtml
978 90 499 5217 4-34.xhtml
978 90 499 5217 4-35.xhtml
978 90 499 5217 4-36.xhtml
978 90 499 5217 4-37.xhtml
978 90 499 5217 4-38.xhtml
978 90 499 5217 4-39.xhtml
978 90 499 5217 4-40.xhtml
978 90 499 5217 4-41.xhtml
978 90 499 5217 4-42.xhtml
978 90 499 5217 4-43.xhtml
978 90 499 5217 4-44.xhtml
978 90 499 5217 4-45.xhtml
978 90 499 5217 4-46.xhtml
978 90 499 5217 4-47.xhtml
978 90 499 5217 4-48.xhtml
978 90 499 5217 4-49.xhtml
978 90 499 5217 4-50.xhtml
978 90 499 5217 4-51.xhtml
978 90 499 5217 4-52.xhtml
978 90 499 5217 4-53.xhtml
978 90 499 5217 4-54.xhtml
978 90 499 5217 4-55.xhtml
978 90 499 5217 4-56.xhtml
978 90 499 5217 4-57.xhtml
978 90 499 5217 4-58.xhtml
978 90 499 5217 4-59.xhtml
978 90 499 5217 4-60.xhtml
978 90 499 5217 4-61.xhtml
978 90 499 5217 4-62.xhtml
978 90 499 5217 4-63.xhtml
978 90 499 5217 4-64.xhtml